Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Dit veld is verplicht in te voeren!

Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Wachtwoord vergeten? Vul hier uw e-mailadres in. Je ontvangt een link om een nieuw wachtwoord te creëren.

Error message here!

Terug naar het inlogscherm

Afsluiten
Top

Vruchtwisseling en teeltplan

Voor de moestuin is een goede indeling onontbeerlijk, willen we de grond zo goed mogelijk benutten. Het beschikbare oppervlak moet allereerst zo ingedeeld worden dat elk gewas er zijn plek heeft. Daarbij zijn een heel aantal zaken belangrijk:

We houden rekening met zon en schaduw. Hogere gewassen moeten niet het licht wegnemen van de lagere. Om dit te voorkomen worden groentebedden vaak in noord-zuid richting aangelegd. Maar ook met de plaatsing van verschillende groenten na elkaar dient hiermee rekening gehouden worden.

Bepaalde kruiden kunnen we kweken op een schaduwrijk plekje, maar andere hebben beslist zon nodig. Dat laatste geldt ook voor de meeste groentegewassen.

Sommige gewassen kunnen langer op eenzelfde plek geteeld worden, zoals natuurlijk fruitbomen, maar ook houtachtige fruitgewassen als aalbessen, framboos, braam, die wel 10 jaar op dezelfde plek geteeld kunnen worden.

Daarnaast zijn er onder de groenten vaste planten, die niet jaarlijks gezaaid hoeven te worden en ook langer op eenzelfde plek verbouwd kunnen worden: bijvoorbeeld rabarber, artisjok, asperge.

Het teeltplan

Voor het merendeel van de groenten geldt echter dat we ze, voor een goede opbrengst en optimale gezondheid, het best jaarlijks laten wisselen van plek via een roulatiesysteem. Dit noemen we wisselteelt ofwel vruchtwisseling. Om dit te realiseren wordt een teeltplan gehanteerd. Hierin wordt niet alleen vastgelegd waar de verschillende groenten komen te staan, maar wordt tevens een tijdschema opgenomen, waarin voor-, hoofd-, en nateelten genoteerd staan. Dit maakt het mogelijk om de grond zo intensief mogelijk te benutten.

Soms komt het de gezondheid van de gewassen ten goede, wanneer we ze in bepaalde combinaties bij elkaar zetten, dit noemen we combinatieteelt. Ook dit wordt in het teeltplan opgenomen.

Een goed teeltplan opstellen is niet eenvoudig. Maak het uzelf zeker als beginnend moestuinier niet al te moeilijk. Gaandeweg leert u steeds meer bij.

Vruchtwisseling

Waarom is vruchtwisseling belangrijk?

Op plekken waar steeds dezelfde soort planten geteeld worden treedt op den duur bodemmoeheid op: planten voeden zich met bepaalde stoffen uit de grond, die op een gegeven moment niet meer voorhanden zijn: Aardappels bijvoorbeeld nemen veel kalium op uit de grond, koolsoorten vragen nogal wat stikstof. Daardoor raakt de grond op een gegeven moment uitgeput en ontstaan gebreksziekten. Ook kunnen de planten bepaalde remstoffen aan de grond afgeven, waardoor volgende teelten van een zelfde soort gewas niet meer gedijen.

Verder is er een grotere kans op schimmels en bepaalde plaagdieren wanneer een gewas steeds weer op dezelfde plek groeit. Een voorbeeld is de aantasting door aaltjes (minuscule wormpjes in de bodem) bij meerdere groentesoorten of de schimmelaandoening knolvoet, die bij koolgewassen kan toeslaan.

De afwisseling van diep en ondiep wortelende gewassen komt ten goede aan de structuur van de bodem. De wortels maken de grond los zonder dat u hoeft te spitten. Hierdoor kunnen ook de grondlagen op hun plek blijven en kan het bodemleven zich optimaal ontwikkelen.

Voor vruchtwisseling worden de groenten ingedeeld in groepen van dezelfde familie die ongeveer dezelfde behoeften hebben qua bemesting. Er zijn verschillende indelingen naar gewassoorten mogelijk, vaak wordt een indeling van 4 groepen gehanteerd, maar regelmatig hanteert men ook wel 6 groepen. Hieronder vindt u een voorbeeld van zo’n indeling:

  • Nachtschade-achtigen (o.a. aardappels, tomaten, paprika)

  • Vlinderbloemigen (o.a. erwten, bonen, kapucijners)

  • Kruisbloemigen (o.a. allerlei kolen, maar ook radijs en meiknollen)

  • Overige zoals schermbloemigen (wortel, pastinaak) en komkommerachtigen (pompoen, courgette)

Deze 4 gewassen worden jaarlijks gerouleerd, door ze steeds een vak op te schuiven, zodat ze na 4 jaar pas weer op hetzelfde stuk grond groeien.

Nachtschade-achtigen volgen zo de vlinderbloemigen op, vlinderbloemigen worden geteeld na de kruisbloemigen, enz.

Omdat de gewassen van eenzelfde familie bij elkaar staan in een vak staan kunnen we ook gerichter bemesten. Bijvoorbeeld: kruisbloemigen, waaronder de kolen, vragen over het algemeen een stevige bemesting. Vlinderbloemigen daarentegen hebben veel minder nodig. Zij leven in samenwerking met bepaalde bacteriën, die stikstof uit de lucht kunnen binden, die opgeslagen wordt in knolletjes op de wortels.

Groenten als maïs, maar ook bladgewassen (sla, andijvie, spinazie) zijn niet opgenomen in bovenstaand plan. Deze gewassen hebben in het algemeen minder last van problemen als bodemmoeheid, en kunnen daarom gebruikt worden om gaten in het teeltplan op te vullen.