Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Dit veld is verplicht in te voeren!

Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Wachtwoord vergeten? Vul hier uw e-mailadres in. Je ontvangt een link om een nieuw wachtwoord te creëren.

Error message here!

Terug naar het inlogscherm

Afsluiten
Top

Pieperstek - Zomer

Zomer

De zon staat in de zomer hoog aan de hemel en dat merk je dan ook. Af en toe kan het knap warm worden. Maar de meeste planten gedijen bij die zon en groeien hard, als er ten minste ook voldoende water en voedingstoffen in de grond zitten. En het onkruid groeit ook hard, dus is er véél te doen in de tuin. De tuin staat inmiddels vol met planten en bloemen. Steeds zijn er nieuwe groenten te oogsten, en ook is het de tijd van heerlijke bessen.
Bloemen in de tuin maken het extra leuk. Er is van alles aan te ontdekken en mee te doen: je kunt af en toe mooie boeketjes plukken en sommige bloemen kun je ook drogen, zodat je er later ook nog plezier van hebt.
In de tuin is het tussen al het groen een bedrijvigheid van jewelste. Luister eens naar al dat zoemen en gonzen. Met een beetje geluk zie je ook vlinders in je tuin. En waar komen die vandaan?

 

Het onderhoud in de zomer

Na het zaaien komt het wieden. Telkens opnieuw. Als je niets doet groeien de onkruidjes over de andere planten heen. Daarom zaai je het beste op rijtjes en met een stokje erbij. Tussen de rijtjes in kun je de onkruidplantjes weghalen. Trek ze voorzichtig uit, schud de aarde eraf en verzamel ze in je emmer.
Als de plantjes groter zijn, dan kun je ook schoffelen.
Verschil tussen hak en schoffel: Een schoffel duw je van je af. Een hak trek je naar je toe.
Kies een smalle hak of schoffel. Dat werkt het fijnst. Nog beter werkt een handhakje of ‘schrepel’. Hiermee kun je makkelijker sturen dan met een schoffel aan een lange steel.
Een oude tuinmannenwijsheid is:
"Wieden met regenachtig weer. Schoffelen met droog weer."
Dat is nog steeds de beste aanpak, natte planten laten zich moeilijk uitschoffelen en groeien vaak weer door.

 

Vlinderweetjes

Grote kans dat je met mooi weer vlinders ziet vliegen. Er zijn twee grote groepen vlinders: dag- en nachtvlinders. Als dagvlinders gaan zitten dan klappen ze hun vleugels samen. Nachtvlinders vliegen vaak ’s nachts maar ook wel overdag. Je kunt ze herkennen doordat ze hun vleugels plat houden, in plaats van opgevouwen.
Kijk maar eens naar een vlinder die op een bloem zit. Zie je z’n tong? Die is heel lang en gaat diep de bloem in. De vlinder snoept nectar uit bloemen waar insecten met een korte tong niet bij kunnen komen.
Toen je klein was is vast het verhaaltje van ’Rupsje Nooitgenoeg’ aan je voorgelezen. Je weet wel, het rupsje dat zoveel taart en worst at dat hij buikpijn kreeg. Echte rupsen eten blaadjes, maar verder klopt het verhaal. De vlinder legt eitjes. Daaruit komen rupsen. De rupsen eten heel veel blaadjes. Dan kruipen ze weg in hun cocon, daaruit komt later de vlinder te voorschijn.
Kijk maar eens in de tuin of je rupsen ziet. Vaak zitten ze een beetje verstopt onder het blad.

 

Maak zelf een bijenhotel!

Honingbijen, die door imkers gehouden worden, leven in een volk. Met z’n allen bij elkaar. In de tuin leven ook een heleboel wilde bijen. Ze leven alleen, verzorgen zelf hun jongen en prikken niet.

Knutsel een bijenhotel
Hiervoor heb je een stuk hout nodig, bijvoorbeeld een stukje boomstam of overgebleven timmerhout. Boor hierin een heleboel gaatjes, tussen 4 en 12 mm groot en zo diep als de boor komt.
Haal met een vijl de ruwe kantjes weg. Vraag hiervoor hulp. Daarna hang je het hotel op een zonnige plek in de tuin.
Al gauw worden er gaatjes dichtgesmeerd: bewoond! De bijen hebben dan hun eitjes in de gaatjes gelegd.
Laat het hotel in de winter buiten hangen, in het voorjaar komen de jonge bijtjes te voorschijn.

 

Insecten in de tuin

In de tuin zie je altijd veel insecten. Sommige mensen vinden insecten een beetjes eng of vies, maar eigenlijk zijn ze als je ze goed bekijkt best heel leuk en mooi.

Wat is een insect eigenlijk? Insecten zijn beestjes met een hard pantser aan de buitenkant, hun lijf bestaat uit drie delen: kop, borst en achterlijf, en ze hebben 6 poten. De meeste insecten hebben ook nog 2 of 4 vleugels.

Bijen, vlinders, maar ook kevers, mieren, luizen, en vliegen: het zijn allemaal insecten. En een duizendpoot? is dat ook een insect. Wat denk je?

In Nederland worden de meeste insecten niet groter dan een paar cm. maar libellen, van die beestjes die als helikoptertjes rondsnorren, worden nog wel een stukje groter. De keizerlibel kan zelfs wel 8 cm. groot worden.

Doen: Zet eens een tonkinstok op een plekje naast de vijver of sloot. Wedden dat er vroeg of laat een libel op neerstrijkt! Zorg dat je hem niet mist, want het is een prima kans om een insect eens van dichtbij goed te bekijken. 

Kijk bijvoorbeeld maar eens goed naar zijn ogen. Die zijn eigenlijk samengesteld uit een heleboel kleine oogjes, zodat de libel tijdens het vliegen aan alle kanten om zich heen kan kijken en zijn prooien (allerlei kleine insectjes) gemakkelijk kan opsporen.

Doen: Leg eens een groot stuk wit papier of een omgekeerde paraplu onder een flinke struik en schudt daar dan voorzichtig aan. Je zult zien dat er allerlei kleine beestjes uit komen vallen die je daarvoor niet gezien hebt. 

Je mag best wat beestjes vangen om ze goed te bekijken. Een loeppotje (een potje met een vergrootglas erop) is daarvoor heel handig. Maar laat de beestjes daarna wel weer vrij!

 

Bloembezoek 

Kijk ook op een mooie zonnige dag eens welke beestjes er bij de bloemen in je tuin op bezoek komen. Je hoeft niet bang voor hommels en bijen, hoor. Die letten, als jij rustig doet, helemaal niet op jou. Ze zijn veel te druk bezig met het verzamelen van lekkere zoete nectar uit de bloemen.   

Volg eens een tijdje één bij of hommel. Wat doet hij? Kiest hij steeds een andere bloem of heeft hij voorkeur voor een soort?

Als je goed oplet zie je ook dat er eigenlijk veel soorten bijen en hommels zijn, van verschillende maten en met verschillende kleuren.

 

Dieren spelen verstoppertje

Veel dieren laten zich niet graag zien. Dat is voor hun eigen veiligheid. Stel je voor: ze zouden zo maar opgegeten kunnen worden! Kleine beestjes verschuilen zich vaak aan de onderkant van bladeren of kruipen in de grond, muizen wachten meestal de schemer af voor ze op pad gaan.

Sommige dieren hebben er andere trucjes op gevonden. Kikkers bijvoorbeeld hebben zich met hun kleur goed hebben aangepast aan hun omgeving. Door hun schutkleur (bruinig of groen gevlekt) vallen nauwelijks op aan de slootkant. Bovendien kunnen ze heel stil zitten. 

Ook allerlei insecten passen de truc van de schutkleur toe. Een sprinkhaan bijvoorbeeld heeft een mooi groen jasje aan waarmee hij niet opvalt tussen de planten.

Veel nachtvlinders zijn bruin of gevlekt en vallen daardoor overdag nauwelijks op wanneer ze tegen een boomstam of houten schutting zitten.

 

Andere trucs

Een beestje dat je in de tuin altijd makkelijk ontdekt is het lieveheersbeestje. Met zijn rode schildjes valt hij best op, maar toch heeft hij niet veel te vrezen. Hij scheidt wanneer hij zich bedreigd voelt een vies bitter geel stofje af, waardoor de vogels hem niet snel zullen eten.
 
Een vlinder als de dagpauwoog heeft grote ‘ogen’ op zijn vleugels, waardoor vogels afgeschrikt worden. 

Sommige zweefvliegen misleiden de vogels met hun gestreepte jasje. De vogels zien ze aan voor wespen en laten ze daarom met rust. 

Rupsen, zoals bijvoorbeeld de processierups, hebben haren waardoor ze voor veel dieren geen lekker hapje zijn.

Planten om mee te spelen

Bloemen zijn leuk om naar te kijken of om in en vaasje te stoppen maar het leukste zijn ze om mee te spelen.
Wat denk je van leeuwenbekken? Als je aan de zijkant in hun bek knijpt gaan ze brullen! (maak zelf het geluid erbij).
In de herfst zijn de zaadjes van de springbalsemien rijp. Knijp maar eens in een dik vruchtje en ... niet schrikken!
Aan judaspenning komen bruinige, platte vruchtjes. Als je de velletjes er af haalt, dan komen er prachtige ’zilveren’ penningen te voorschijn. Die stengels met glanzende penningen kun je goed droog bewaren,bijvoorbeeld in een vaasje zonder water.
Als je aan tuinplanten voelt is de een veel zachter dan de ander. Vrouwenmantel is heel aaibaar maar de allerzachtste knuffelplant is ezelsoor.
Prikneuzen hebben een rare naam, vind je ook niet? Steek je neus er maar eens in, dan snap je hoe hij aan z’n naam komt!
Tussen de stoeptegels kun je kruipertjes vinden. Het ziet eruit als graan. Breek een aar af en stop hem ondersteboven in je mouw. Hoe lang duurt het voordat hij naar boven is gekropen?

 

Bloemen plukken

We zeggen bloemen plukken, maar eigenlijk is bloemen knippen veel beter. Als je plukt dan maak je de plant makkelijk kapot. Als je knipt heb je daar geen last van.

  • Zorg dus altijd voor een schaar als je bloemen gaat knippen.
  • Knip niet in de felle zon.
  • Zet je bloemen zo snel mogelijk in het water.
  • Om veel plezier van je bloemen te hebben knip je geen hele lange stelen. Een steel van je hand tot je elleboog is goed.
  • Zorg voor een schoon vaasje waar de bloemen goed in passen.
  • Haal de onderste blaadjes die anders in het water komen van de steel af.
  • Doe schoon, fris water in de vaas.

 

Bloemen drogen

Sommige bloemen hoeven helemaal niet in een vaasje. Je kunt ze drogen.
Goede droogbloemen zijn Juffertje-in-‘t-groen, Strobloem, Lonas, Statice en Papierbloem.

  • Maak bosjes met ± 10-15 stengels, haal de onderste bladeren eraf en bind ze vast met een elastiekje.
  • Droogbloemen moeten op hun kop drogen. Dat gaat handig als je in de schuur, onder het afdak of in de kamer een touw spant.
  • In de ruimte moet veel frisse lucht komen.
  • Buig een paperclip uit en haak een kant aan het elastiekje. Het andere haakje hang je over het touw en je bosje hangt.
  • Zorg ervoor dat de bosjes niet tegen elkaar aan hangen!

 

Bloemen persen

Je kunt bloemen (of blaadjes) ook voorzichtig in een dik boek - bijvoorbeeld een oud telefoonboek - leggen en zo drogen. Ze worden dan mooi plat, zodat je ze kunt gebruiken om er een mooi schilderijtje of een boekenlegger van te maken. Laat de bloemen een paar weken in het boek drogen. En gebruik niet al te dikke bloemen!

Maak een bloemenpers

Speciaal voor het drogen van bloemen kun je ook een echte bloemenpers maken. Je hebt er twee plaatjes triplex voor nodig en vier bouten met vleugelmoeren. 

  1. Vraag je vader, moeder of andere volwassene om gaatjes te boren op alle vier de hoeken van de plaatjes. 
  2. Steek de bouten van onder naar boven in de gaatjes van het eerste plankje. 
  3. Stapel hierop een flinke hoeveelheid papier met daartussen de te drogen bloemen. 
  4. Dan het tweede plaatje erop zetten en de vleugelmoeren aandraaien. 

Het is leuk als je de bloemenpers ook mooi versiert.

 

Zuinig met water

Kraanwater is iets om zuinig op te zijn. Het kost veel energie om het schoon te maken en naar de huizen te vervoeren. Bovendien wordt een deel van het kraanwater opgepompt in bosrijke streken. Hoe minder dat hoeft hoe beter voor de natuur.
Als het goed is hebben je planten prima wortels en zit er voldoende water in de grond. Dan is water geven niet nodig. Maar ja, soms is het lang droog, hebben jonge plantjes toch water nodig of wil je graag je nieuwe gieter uitproberen. Dan kun je best water geven, maar doe het op een slimme manier.

Watertips:

  • Zet planten in je tuin die goed tegen de omstandigheden kunnen, dus geen waterlelie in de zandbak en geen cactussen in de vijver...!
  • Als de bodem gauw droog wordt, zorg er dan voor dat de bodem zoveel mogelijk bedekt blijft. Bijvoorbeeld door bodembedekkende planten, stro of cocosdoppen (tuincentrum). Dat zorgt ervoor dat er zo min mogelijk water verdampt.
  • Geef niet in de felle zon water, dan verdampt er heel veel.
  • Maak een klein dijkje om planten heen, zodat het water niet meteen wegstroomt. - Probeer regenwater op te vangen.
  • Als je sproeit, dan liever een keer veel, dan vaak weinig. Let op dat het water niet wegloopt de straat op.

Voor de gek gehouden Veel planten proberen je voor de gek te houden. Als ze in de felle zon staan hangen ze slap, vooral rode bietjes doen dat gauw. Je hóórt ze om water roepen. Let op, het slap hangen is een truc om minder water te verdampen. Na een uurtje in de schaduw staat de plant er weer vrolijk bij. Soms is dat niet zo, geef dan wel water.

 

Waterspelletjes

Met water kun je leuk spelen, maar met weinig water ook! Doe maar eens een bodempje water in een pot of emmer. Breek wat stukjes paardebloemstengels af, scheur ze een beetje in en leg ze in het water. Even wachten...gebeurt er al wat? Paardebloemstengels zijn hol, je kunt er ook mooie waterleidingen van maken. Wie maakt de langste?
Kijk ook eens rond in de tuin als het pas geregend heeft. Sommige planten zoals vrouwenmantel hebben ’kabouterdiamantjes’. Dankzij de aanwezige haartjes blijven regendruppels op het blad liggen. Kaardenbol heeft z’n eigen ’badkuip’. De bladeren staan zo tegen elkaar aan dat er een badje bij de stengel ontstaat.
Zet eens een vogelbadje, een wijde, platte schaal, in de tuin. Liefst op een verhoging, dat is veiliger vanwege de poezen. Kijk eens welke vogels een badje nemen en hoelang ze daarmee bezig zijn. Laat het badje ’s winters als het vriest niet buitenstaan.