Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Dit veld is verplicht in te voeren!

Verberg Dit veld is verplicht in te voeren!

Wachtwoord vergeten? Vul hier uw e-mailadres in. Je ontvangt een link om een nieuw wachtwoord te creëren.

Error message here!

Terug naar het inlogscherm

Afsluiten
Top

Pieperstek - Nog meer

Nog meer...

Je tuin is eigenlijk een klein stukje natuur. Belangrijk dus om er goed voor te zorgen. Zo dat het gezond blijft en alles, planten en beestjes, er een plekje mogen hebben.
Er vliegen en kruipen heel wat kleine beestjes rond in je tuin. Hoeveel verschillende kun je vinden? Allemaal hebben ze hun taak in het geheel van je tuin.
Je planten hebben licht en vocht nodig. Dus de zon en de regen zijn twee belangrijke zaken in je tuin. Als het lang droog is moet je soms wat extra water geven. Maar waarom moet je daar zuinig mee zijn?
Als je plek hebt is het leuk om zelf compost te maken. Zo maak je je eigen ’mest’ voor je planten.

 

Zelf compost maken

Compost kun je heel goed zelf maken. Afval uit de keuken en de tuin wordt in ongeveer een jaar verwerkt door diertjes in de compost. Belangrijke werkers zijn wormen en pissebedden, samen met een heleboel andere kleine diertjes.
Een composthoop houdt van afwisseling en van ‘niet te’. Niet te weinig materiaal, niet teveel van hetzelfde, niet te droog, niet te nat enzovoorts.
Een compostvat is makkelijk om mee te werken en ziet er netjes uit, maar een rekje van gaas tussen paaltjes gaat ook goed.
Compost maken met een compostvat:

  • Zoek een plek in de schaduw waar je goed bij kunt.
  • Leg op de bodem wat takken, die zorgen voor extra lucht.
  • Probeer een emmer compost met wormen erin van iemand anders te krijgen, daarmee krijg je je eigen hoop het beste aan de gang.
  • Begin met een laagje groenteafval uit de keuken.
  • Daarop mogen een paar handen tuinafval.
  • Dan weer keukenafval.
  • Strooi dan de compost uit de emmer daar weer over.
  • Dan weer wat tuinafval.
  • Keukenafval en zo ga je laag voor laag door.
  • Als het in de zomer een beetje stinkt dan dek je het keukenafval af met een dunne laag aarde uit de tuin.
  • Kortom: afwisseling en laagjes maken.

Als alles goed gaat kun je na een jaar de eerste compost aan de onderkant uit het vat scheppen. Vaak is het nog een beetje grof, als je het zeeft heb je prima compost om tussen de planten te strooien, of te gebruiken bij het planten.
Compost bevat voedsel maar houdt ook goed vocht vast. Voor droge grond is compost heel geschikt.
Hieronder zie je wat je wel en niet op de composthoop mag gooien:

 

Wel

Niet

 koffieprut 

 Aardappelschillen (niet op de moestuin i.v.m. ziekten)

 groenteafval

 Koolresten (niet op de moestuin i.v.m. ziekten)

 Eierschalen (liefst fijngemaakt)

 Gekookte etensresten (kan ratten aantrekken)

 Grasmaaisel (kleine beetjes)

 Visresten (gaat stinken)

 Afgeknipte planten (kleingemaakt)

 Kattenbakkorrels (verteert niet of slecht)

 Blad (kleine beetjes, evt. aparte hoop maken)

 Takken (te groot, alleen onderin voor lucht)

 Uitgebloeide bloemen

 Sinaasappelschillen (verteren slecht)

 

 Wortelstokken van kweek, heermoes en zevenblad (kans dat je ze opnieuw verspreidt)

 

 Frituurvet (wordt een vieze klont)

 

Compostwormen

De hardste werkers in de composthoop zijn de wormen, er zitten vaak dikke kluwens in. De gewone regenwormen wonen liever in de tuin en komen niet in de composthoop. De wormen in de composthoop zijn dunner en roder dan regenwormen. Ze worden in het Latijn Eisenia foetida genoemd, in het Nederlands ook wel tijgerwormen.

 

Een tuindagboek bijhouden

Het is heel handig om op te schrijven wanneer je iets gezaaid of geplant hebt. Ook kun je bijhouden wanneer het ontkiemt, hoe het groeit en wanneer je het kunt oogsten. Als je dat een paar jaar volhoudt wordt het steeds leuker. Je verzamelt steeds meer informatie over je eigen tuin.
Als je het leuk vindt kun je er een mooi boekje van maken waar je ook in schrijft welke vlinders je ziet of welke bijzondere dingen je op je tuin meemaakt. Tekeningen erbij maken het nog leuker.

 

Padden vs. Kikkers

Ze lijken veel op elkaar maar toch kun je ze goed uit elkaar houden:

  • Padden hebben wratten op hun rug, kikkers zijn glad.
  • Padden lopen, kikkers springen.
  • Buiten de paartijd leven padden niet dicht bij water, kikkers wel.
  • Padden leggen kettingen met eitjes, kikkers leggen klompen dril.
  • Paddenvisjes zijn pikzwart, kikkervisjes zijn bruinig.


Padden komen graag in de tuin. Insecten, slakken en regenwormen eten ze graag. Ze komen vooral bij nat weer en ’s nachts te voorschijn. Als het droog is kruipen ze weg onder de grond, onder een steen of tussen takken. Als je voor een schuilplek zorgt komt er in jouw tuin misschien ook een.
Als jullie een vijver in de tuin hebben dan zitten daar vast kikkers. Kikkers eten vooral veel vliegen en mugjes die ze met hun kleverige tong vangen.

 

Een kleine-dieren-tuin

Eigenlijk is je tuin ook een dierentuin. Zoek maar eens onder een steen, tussen bladeren, in de grond of in de composthoop. Allerlei kleine diertjes kom je tegen. Vang er maar eens een paar in een bakje en bekijk ze met een loep.
Een vreemde naam heeft de pissebed. Die is familie van de kreeften en houdt veel van vochtige plekjes. Net als kreeften en vissen halen ze adem door kieuwen. Pissebedden eten plantenrestjes.
Oorwurmen zien er een beetje eng uit met twee tangen aan hun achterlijf. Toch vallen ze reuze mee. Soms knabbelen ze aan bloemen, zoals dahlia’s, maar ze eten vooral plantenrestjes. Oorwurmmoeders zorgen voor hun kleintjes.


Duizendpoten hebben maar zestien poten in plaats van duizend. Het zijn echte rovers die andere kleine beestjes opeten.
In de grond komen nog veel meer kleine diertjes voor. Ze zijn onmisbaar als voer voor vogels en padden. Ook maken ze mest en plantenresten fijn. Diertjes om zuinig op te zijn!


Oorwurmpotje

Een oorwurmpotje kun je makkelijk maken van een stenen bloempotje. Buig een stuk ijzerdraad dubbel en vouw er een flinke pluk hooi of stro tussen. Houd het potje op z’n kop en steek het ijzerdraad erdoor. Hang het potje op.

 

De regenworm

Regenwormen zijn prima tuinlieden. Door hun gegraaf woelen ze de grond om. Ze trekken blaadjes in de grond en eten die op. In de uitgepoepte restjes zit veel voedsel voor de planten. Door de gegraven gangetjes kan het regenwater makkelijk de grond in. Als je veel regenwormen hebt is dat een goed teken. Heb je er niet zoveel dan kun je het beste zorgen voor een laagje blad op de grond. Ze komen dan vanzelf!
Wormen zijn mannetje en vrouwtje tegelijk, ’hermafrodiet’ noemen we dat. Toch paren twee wormen met elkaar. Vaak kun je een verdikking zien zitten op de worm. Dat heet de ring. Daarin worden de eitjes gelegd. Vervolgens wordt de ring afgeschoven en in de grond gelegd. Later kruipen de jonge wormpjes te voorschijn.
Ooit een worm gehoord? Zoek een mooie, grote worm. Leg die op een krant en wacht tot hij gaat bewegen. Luister goed. Het zachte geritsel wordt gemaakt door de borstelige haren aan de achterkant van z’n lijf. Daarmee kan hij zich ook schrap zetten in z’n gang. Vergeet niet om de worm weer terug te zetten!

 

Slakken

Slakken zijn leuke beesten. Toch denkt niet iedereen er zo over, want slakken eten graag jonge plantjes, vooral met regenachtig weer.
Er zijn twee groepen slakken: huisjesslakken en naaktslakken. Met droog weer kruipen huisjesslakken tegen een tak, maken de ingang van hun huisje dicht en wachten af. Naaktslakken kruipen weg in de grond.
In de grond leggen slakken groepen eitjes. Die zien eruit als kleine, doorzichtige bolletjes. Het jonge slakje moet een hele poos groeien. Zoek maar eens wat huisjesslakken, je kunt ze vinden van piepklein tot heel groot.

 

Eigen glijbaan Slakken hebben een brede ’voet’ waarop ze lopen. Aan droge grond hebben ze een hekel. Daarom maken ze slijm, zodat ze over hun eigen glijbaan glijden. Vaak kun je dat slijmspoor zien, let er maar eens op.
Laat maar eens een huisjesslak over het raam of over een glasplaatje lopen. Je kunt dan goed de onderkant met het slijmspoor bekijken. Als de slak zich veilig voelt zie je ook z’n voelsprieten. Wist je dat z’n ogen in z’n voelsprieten zitten? Ogen op steeltjes!

 

Sporen zoeken

Het is spannend om in je tuin op zoek te gaan naar dierensporen. Soms zie je in natte grond afdrukjes van vogelpootjes. Of je vindt mooie veertjes. Ook kun je soms zien dat een dier ergens gegeten heeft: een lijster eet slakken en laat de lege huisjes achter. En in de herfst kun je rozenbottels vinden die opengepikt zijn. Dat doet een vogel, de groenling, om de zaadjes eruit te halen.

Dieren laten ook poep achter. Vogelpoep is vaak dun en grijswit. Kleine langwerpige bruine poepjes zijn van een pad of egel. In de poep van een egel kun je insectenschildjes zien zitten, restjes van wat hij gegeten heeft.

Waar een slak langs is geweest zie je een glimmend slijmspoor. En in de grond kun je gaatjes ontdekken waar muizen in gekropen zijn. 

De mol maakt er een zootje van: als hij langs is geweest ligt het grasveld vol met molshopen.

Wees eens een echte speurneus en kijk wat er bij jullie in de tuin is langsgekomen

 

In de sneeuw

’s Zomers is het al leuk om sporen te zoeken, maar ’s winters als er sneeuw ligt kun je pas echt zien wat er allemaal door je tuin wandelt.

Afdrukjes van vogelpootjes, de voetjes van de kat, ja, zelfs muizen gaan in de kou op zoek naar eten en laten hun spoor na. Soms maken ze gangetjes door de sneeuw. Op de foto zie je hoe dat eruit ziet.

 

 

Bloemetjes en bijtjes

In een bloem zitten allerlei onderdelen. Meestal zit in het midden de stamper. Stuifmeel zit op de meeldraden, vaak is het gelig poeder.

 

Stuifmeel kan door de wind weggeblazen worden en op andere planten terecht komen of door insecten (zoals bijen en hommels) van de ene naar de andere plant gebracht worden. Eenmaal op de stamper gekomen groeit het naar binnen. Onderin de bloem gaan de zaadjes groeien. We zeggen dat de plant is ’bestoven’.
Windbloeiers
Planten die van de wind gebruik maken om het stuifmeel te verspreiden bloeien vaak vroeg in het voorjaar. Ze zijn vaak onopvallend omdat ze niet met felle kleuren insecten aan hoeven te trekken. Voorbeelden zijn hazelaar, els en wilg.

 

Insectenbloemen

Deze bloemen hebben fleurige kleuren om insecten aan te trekken. Niet alle insecten tegelijk natuurlijk! Vliegen en kevers zijn geen handige vliegers. De brede ’landingsbaan’ van schermbloemen zoals fluitenkruid en berenklauw gebruiken ze graag. Vlinders hebben een voorkeur voor roodachtige en paarse planten. Met hun lange, oprolbare tong kunnen ze diep in de bloemen komen.
Hommels zijn vrij zwaar en kunnen goed bloemen open maken waar je sterk voor moet zijn. Ze komen graag in brem- , akelei- of saliebloemen. Hommelbloemen zijn vaak geel of blauw.
Bijen bezoeken ook veel bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen. Zij zorgen ervoor dat allerlei fruitbomen bestoven worden. Het resultaat: appels en peren!

 

Onderdelen van de plant

Hier zetten we alle stukjes van een plant nog eens op een rij.

Wortels

Als je onkruid uit probeert te trekken dan valt het al op dat de plant zo stevig vastzit. Daar zijn wortels voor. Ook halen wortels water met voedingstoffen (eten) uit de grond omhoog.


Stengels

Zorgen ervoor dat de plant mooi rechtop blijft staan. Door de stengels lopen ook dunne buisjes waardoor het water met voedsel omhoog gebracht wordt.

 

Bladeren

Bladeren zijn eigenlijk kleine fabriekjes. Dankzij het licht en de lucht kunnen ze zuurstof en voedsel maken. Knap hè. Wij gebruiken de zuurstof om adem te halen.

 

Bloemen

De bloemen moeten zorgen voor de zaadjes. Als het stuifmeel op de stamper komt (van dezelfde soort) dan wordt de bloem bevrucht en gaan er onderin de bloem zaadjes groeien. Uit een zaadje kan weer een nieuwe plant groeien.

 

Klimmers

Houd jij ervan om in bomen te klimmen? Leuk hé, om te kijken hoe hoog je kunt komen! Wel altijd voorzichtig doen, hoor! Het is belangrijk je altijd minstens met 3 ‘pootjes’ vast te houden, dan kan er niet veel gebeuren.

Onder de planten zijn er ook klimmers. We noemen ze klimplanten. Veel klimplanten zijn van oorsprong bosplanten. Ze staan daar onder de bomen in de schaduw, maar hebben om te groeien wel licht nodig. Daarom werken ze zich langs de bomen omhoog. Iedere klimplant heeft daar weer andere handigheidjes voor ontwikkeld.

Veel klimplanten planten slingeren om takken of stammen. Dat doen bijvoorbeeld de bonen in de moestuin, maar ook de kamperfoelie. Andere planten maken ranken. Dat zijn een soort tentakels die zich om steunpunten wikkelen. De druif is er zo een, maar ook de erwt. Een Clematis windt zijn bladstelen om takken van andere planten om houvast te vinden. En klimop doet het weer anders: die maakt luchtworteltjes, waarmee hij zich hecht aan een boomstam of een muur Een wingerd gebruikt een soort ‘zuignapjes’.

Heb jij ook klimplanten in de tuin? Welke trucjes gebruiken zij om zich omhoog te werken?

 

Maak een mooie hut

Steek een stuk of 5 – 6 wilgen- of hazelaartakken of tonkinstokken van 3 meter lang in een flinke cirkel stevig in de grond en bindt ze aan de bovenkant samen met een stevig stuk touw. Vraag je vader of moeder even om hierbij te helpen, want daar kun je zelf niet bij. 

Bij iedere stok zaai je (half mei) twee pronkbonen. Je moet even geduld hebben, maar als de planten eenmaal groeien slingeren ze zich om de staken omhoog en heb je straks een hut versierd met prachtig rode bloemen. 

En wat helemaal mooi is, je kunt er nog van eten ook. Na de bloei komen er lange bonen (peulen) aan die jong geplukt gegeten kunnen worden als snijbonen. 

 

Een natuurvriendelijke tuin

In je tuin groeien niet alleen planten, het is ook een hele dierentuin. Er wonen lieveheersbeestjes, slakken, bijen, vlinders en nog veel meer.

Misschien broedt er een koolmeesje of woont er een egel onder de bladeren. Sommige dieren snoepen van je planten, andere eten juist die snoepers op. Dankzij al die dieren valt er heel veel in je tuin te zien.
Probeer om niet alleen goed voor je planten te zorgen maar ook voor je dieren.
Gebruik geen gif in je tuin, ook geen slakkenkorrels. Dat is gevaarlijk voor jezelf maar ook voor de dieren.

 

Mest of kunstmest

Planten hebben voedsel nodig om goed te groeien. Dat voedsel wordt mest genoemd. Kunstmest komt uit de fabriek en ’organische’ mest wordt gemaakt van dierenpoep. Vooral koemest en paardenmest wordt veel gebruikt. Compost is ’mest’ die gemaakt wordt van plantenresten.

In de bodem leven veel diertjes die ervoor zorgen dat het voedsel uit de mest bij de planten terecht komt. Van kunstmest gaan planten hard groeien maar de bodemdiertjes lusten geen kunstmest. Omdat die bodemdiertjes heel nuttig zijn kun je ze het beste maar verwennen met organische mest en compost.

 

Leer van het weer!

Als er één plek is waar het weer belangrijk is dan is het wel de tuin. Soms is het te koud, dan weer te nat en daarna weer te droog. Het lijkt wel alsof het weer voor een tuinder nooit goed is.
Vooral in het voorjaar is het weer heel belangrijk. Als het te koud is ontkiemen de zaadjes niet en als het te nat is verrotten ze. Later in de zomer, als de plantjes wat groter zijn, zijn ze ook sterker en kunnen ze beter tegen nattigheid of droogte.
Ook de temperatuur is belangrijk. Veel planten hebben een bepaalde temperatuur nodig om te groeien. Sommige warm, anderen juist lekker koel.

 

Regenmeter

Om bij te houden hoeveel regen er nu eigenlijk valt is een regenmeter heel leuk. Hierin vang je het regenwater op en kijk je elke dag op een vaste tijd hoeveel water erin zit. Als je dat opschrijft weet je precies hoeveel het regent. Vergeet niet om daarna de regenmeter leeg te gooien.
Op een regenmeter staan streepjes. Elk streepje betekent 1 liter regen op 1 vierkante meter tuin, een stuk van 1x1 meter dus. 8 streepjes betekent dus 8 liter per vierkante meter. Soms regent het de hele dag heel zachtjes en valt er toch minder regen dan met een fikse bui. Let er maar eens op. De regenmeter kun je ophangen aan een stok, let er wel op dat de stok rechtop staat en dat de regen er goed in kan vallen.

 

Minimum-maximum-thermometer

Dit is een lang woord voor een thermometer die laat zien wat de hoogste en laagste temperatuur tijdens een dag en een nacht (etmaal) is. De thermometer heeft een buisje in de vorm van een U, aan de ene kant wordt het koudste, aan de andere kant de warmste moment van een dag bijgehouden. Aan het aflezen moet je even wennen, maar dat is niet moeilijk.

 

Een goede plek

Om de thermometer goed af te lezen moet hij op een goede plek hangen waar je makkelijk bij kunt. In de schaduw en ongeveer op ooghoogte (1.50 m).

 

Meten is weten

Meet voor de aardigheid ook maar eens de temperatuur op de tegels, in de felle zon en in de schaduw. Al die verschillen in de tuin zorgen ervoor dat planten hun eigen groeiplek kiezen, in de zon of juist in de schaduw.

 

Leer van het weer

Als je de temperatuur en de regen elke dag noteert krijg je een goed overzicht. Samen met je notities over het zaaien en groeien van je planten leer je steeds meer over je tuin. Overigens hoef je niet het hele jaar alles bij te houden hoor, het voorjaar is de belangrijkste tijd.